Nieuws

De lange adem van het Theaterhotel

Een groep met lunchende hotelgasten is het eerste wat je ziet als de glazen deuren opengaan. Op tafel liggen broodjes en kroketten. Goudkleurige pilaren staan tussen de tafels met rode stoelen. Afgezien van de namen Beethoven en Amadeus druipt in de ontvangsthal van het Theaterhotel de theatersfeer er bepaald nog niet vanaf.

Esther Hammink, theatermanager en telg uit de familie Van der Valk, komt er graag. “Het gebouw is nou eenmaal een gegeven. En dat heeft zijn voordelen. Een normale theaterfoyer is, behalve bij voorstellingen, altijd leeg. Hier is altijd reuring, leven. Ik zeg wel eens: het is net een huiskamer. Wie bij ons binnenkomt, krijgt vanzelf een thuisgevoel.”

Theater en hotel: het lijken verschillende werelden, maar in Almelo horen ze bij elkaar. Al 25 jaar. Terwijl vanaf de balkons hotelgasten vanuit jacuzzi’s genieten van het uitzicht of zich in de catacomben vermaken in het zwembad, kijkt het theaterpubliek in de grote zaal naar The Ashton Brothers of de opera van Tatarstan. Zo is het sinds 1992 geweest en zo zal het, als het aan Hammink ligt, nog heel lang blijven.

“We hebben onze plek gevonden. Eindelijk. Een kwestie van lange adem. Van heel hard werken ook. Van der Valk en cultuur: dat leek voor heel veel mensen lange tijd niet samen te gaan. Nu is dat anders. We hebben bewezen dat het kan. De artiesten waarderen ons. We waren dit jaar genomineerd voor de verkiezing van het beste theater van Nederland. En het mooiste is: iedereen had het ons ook nog eens van harte gegund.”

Ze is van der vierde generatie. Haar moeder is een echte Van der Valk, de kleindochter van de grondleggers Martinus en Riet van der Valk. Die bouwden in 1939 in Voorschoten het eerste hotel. “Zorg dat je gasten het goed hebben: zo zijn we opgevoed. Zo’n zevenhonderd nazaten zijn er inmiddels. Je herkent ze meteen. We hebben allemaal kopjes afgewassen en in de bediening gezeten. Toen ik als eerste in de familie naar de hotelschool ging, zei een van mijn neven tegen me: ‘Wat moet je op school? Je moet bij de deur staan om gasten te ontvangen en ervoor zorgen dat ze koffie krijgen.’ Het leuke is dat nu bijna iedereen van de jonge generatie een opleiding volgt.”

De komst van de familie naar Almelo betekende een schok voor de theaterwereld. Wat Ad van der Valk, een neef van haar moeder, samen met de Almelose PvdA-wethouder Gerrit Stuivenberg in recordtijd wist te regelen, was nieuw voor Nederland. Schouwburg De Hagen worstelde met tekorten. Er moest jaarlijks geld bij, ruim 2,4 miljoen gulden op het laatst. Het faillissement van patatfabriek Tijhof leidde de omwenteling in. Ad van der Valk wilde dat bedrijf graag overnemen, kwam daarom naar Almelo en kreeg contact met Stuivenberg. Toen terloops de naam van De Hagen viel, was de interesse gewekt. Binnen een week was de deal gesloten.

“We namen de schouwburg voor het symbolische bedrag van 1 gulden over, met als tegenprestatie dat we een hotel zouden bouwen. Want dat was er in Almelo nog niet. Er werd voor 25 miljoen geïnvesteerd. De gemeentelijke bijdrage kon met de helft omlaag. Dat bedrag krijgen we trouwens nog steeds. Het is al die jaren ontgeïndexeerd hetzelfde gebleven.

In een knipselkrant die ze onlang kreeg, las ze het nog eens terug: de keiharde kritiek, de weigering van een flink aantal artiesten en producten om in Almelo op te treden, de sarcastische opmerkingen over de familie. “De wereld was te klein. Ik heb, met terugwerkende kracht, diep respect voor mijn ouders dat ze die storm hebben doorstaan. Het was voor hen ook een avontuur. Toen Ad van der Valk op een familiebijeenkomst over Almelo vertelde, was mijn vader degene die onmiddellijk interesse had. We hadden op dat moment een hotel in Bergen op Zoom. Ik was zelf 14 en zag het absoluut niet zitten. Almelo, dat leek het einde van de wereld.”

De kritiek uit de beginjaren raakte het hele gezin. Van der Valk was in die jaren synoniem met vreetschuren en appelmoest met kersen. Zelfs op school schamperden sommige leraren tegen Esther Hammink over het feit dat het Theaterhotel subsidie kreeg. “Dan zat ik te kletsen en begonnen ze ineens daarover. Het was om die reden dat ik er wel een s oer getwijfeld heb om het vak in te gaan. Het negativisme heeft nog heel lang doorgewerkt. Toen ik in het theater begon, waren er nog steeds artiesten die hier niet wilden komen. Ik ben naar hen toegegaan en heb gezegd: ‘Ik ben dus die heks die jullie niet willen zien’. Na een goed gesprek zijn ze allemaal overstag gegaan.”

De dag van de opening, 21 januari 1991: ze weet het nog precies. Niet alleen vanwege de mooie jurk die ze droeg, ook vanwege de magische ervaring van het theater. “Het was spannend of we het gingen redden. Voor de gevel hing nog een zeildoek. Tot vlak voor tijd hebben we nog met zijn allen met bezems staan vegen.”

Tijdens de voorstelling zat ze op de trap, ongeveer op de plek waar ze nu nog altijd zit. “De musical Sweet Charity. Simone Kleinsma had de hoofdrol. Uitgerekend dit jubileumjaar komt ze terug. Geweldig. Wat er die avond gebeurde tussen zaal en podium raakte me enorm. Er sloeg een vonk over die nooit meer is gedoofd. Vanaf dat moment wist ik ook dat het theater mijn wereld is.”

De eerste jaren hadden ze het soms zwaard te verduren. “De schouwburg was dicht geweest. Het Almelose publiek moest opnieuw warm worden gemaakt voor theater. We hadden ons imago tegen. Dingen die nu in alle theaters gebeuren, werden toen belachelijk gemaakt: een drankje vooraf, gratis garderobe, een gezellige natzit in het hotel. Mijn ouders dachten altijd vanuit de gasten. Bij ons stond en staat de gezelligheid voorop. Voor een goede voorstelling is een minimale zaalbezetting van 250 man nodig om de sfeer te borgen en qua beleving het uiterste uit een voorstelling te halen. Programmeren voor dertig mensen in dit theater heeft geen zin. Daar is onze zaal te groot voor.”

Zo’n achthonderd mensen kunnen er in de zaal. Die is doorgaans goed gevuld, maar zit lang niet alle avonden vol. “We kunnen ons redden, maar een vetpot is het niet. Er bestaat binnen Van der Valk geen hoofdkantoor en geen gemeenschappelijke pot met geld. Iedere vestiging, ook wij, moet zichzelf zien te bedruipen. Met dat theater erbij is en blijft dat in Almelo gewoon een keihard gevecht.”

Samen met haar partner Jan Willem Holtmaat, zwager Kay Franke en zus Annelies draagt ze nu de verantwoordelijkheid. Haar ouders deden een stapje terug. “Zeven dagen in de week werken: ga er maar aanstaan. En altijd met betrokkenheid en zorg. Ooit, op een regenachtige avond, was mijn vader zelfs niet te beroerd om de toen nog onbekende Jochem Myjer naar het station te brengen.”

Ze hebben alle vier hun eigen, afgebakende taak. “Natuurlijk hebben we wel eens ruzie. Maar je blijft wel familie, hè. Jan Willem zegt ook vaak tegen me: ‘Zo, nu ga ik weer geld verdienen voor jouw hobby’. In feite heeft hij natuurlijk gelijk: de horeca is de hoofdsponsor van het theater.”

Over de toekomst is ze optimistisch, mits de gemeente haar verantwoordelijkheid blijft nemen het theater financieel blijft steunen. “Zonder dat is het niet haalbaar. Wat we krijgen staat ook niet in verhouding tot andere theaters. Voord at geld doen we gewoon veel. Veel meer dan de minimaal zestig voorstelling die we contractueel verplicht zin om te brengen. De stad heeft voor relatief weinig geld en goed theater. Als er geen Theaterhotel was gekomen, dan hadden we in Almelo helemaal geen theater meer gehad.”

.